elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leewater

leewater  , liewater , leewater.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
leewater , leiwaater , onzijdig , gewrichtsvocht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
leewater , leewater , die koe hef ’t leewater: die koe lijdt aan waterzucht.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
leewater , leewater , liewater, leiwater , het , (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuid-Drenthe). Ook liewater (Zuidoost-Drents zandgebied), leiwater (Zuidwest-Drenthe, noord) = leewater, vochtophoping Aj leewater in de knie hebt kunj der lange mit sokkeln (Dwij), Die koe hef de hak vol leewater (Bui), Ik bin zo beroerd, het leewater komp mij umhoog hartwater (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leewater , lêêwaoter , zelfstandig naamwoord , lêêwaoters , lêêwaoterties , vocht in het beengewricht Da’ vulle heb ’t lêêwaoter Dat veulen heeft vocht in zijn beengewrichten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
leewater , lejwäoter , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , leewater , (gewrichtsvocht) lejwäoter VB: lejwäoter ês 'n kréngde dy vëul bié vérekes en vuüles vuurkömp.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
leewater , lei-jwater , lieëwater , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gewrichtsvocht
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal