elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: legen

legen , legen , lègen , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook lègen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = leegmaken Hij wol de beerput legen (Row), Wil ie de krulewagen even lègen? (Eli), Non moej de glassies even legen, dan zuw der nog iene weer in doen (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
legen , legen , werkwoord , legen, leegmaken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
legen , lögen , (werkwoord) , lögen, elöögd , leeg maken. Die flesse mu-k eerst lögen veurdä-k em in de glasbak gooie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
legen , lieëge , werkwoord , leegmaken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
legen , leêge , werkwoord , leegmaken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal