elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lens

lens , lens , (bijvoeglijk naamwoord) , ledig. De pomp is lens, zijn geldbuidel is lens.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lens , lêns , lens = geen water gevend (van de pomp)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
lens , lens , bijvoeglijk naamwoord , 1. Leeg. | De regenbak is lens. 2. Beurs | Ze hewwe ’m lens trapt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lens , lens , 1. helemaal op, uitgeput. 2. lam (niet meer functioneren van een schroefdraad).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lens , lens , onderdeel van een oog en van een fototoestel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lens , lens , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. niet goed meer werkend As de pompe lens is, dan is het leertie kepot en slot niet meer of (Noo), ...of de zoeger is verdreugd (Hgv), Oonze radio is helemaole lens doet het niet meer (Die), (fig.) Ik veul mij zo lens as wat, ik kan haost gien aodem mèer kriegen (Hijk) 2. in elkaar, aan flarden Zij hebt hum lens trapt in elkaar getrapt (Klv), of Dei hebt ze heilemaol lens hauwd in elkaar geslagen (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lens , leins , bijvoeglijk naamwoord , het op te pompen water niet vasthoudend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lens , leens , lens , zelfstandig naamwoord , de 1. lens 2. contactlens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lens , leñs , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. (bn) ontbrekend pompvacuüm 2. (bw) beurs Slao t’m leñs Sla hem beurs
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lens , leñs , zelfstandig naamwoord , leñze , leñsie , lens Hebbie een nieuwen bril? Ik doch dajje leñze zou neeme Heb je een nieuwe bril? Ik dacht dat je lenzen zou nemen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lens , lens , leeg, niets te doen hebben; de lens op de rug kriegen, slaperig worden (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lens , lêns , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , leeg, uitgeput
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal