elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lepelbek

lepelbek , lepelbekken , eene soort van eenden. “Nauw verwant met de gewone wilde eend zijn: de “slobben”, of “slobeenden”, kenbaar aan den breeden, lepelvormigen bek (waarom zij ook in Groningen lepelbekken genoemd worden)”, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lepelbek , lepelbek , zelfstandig naamwoord, mannelijk , slobeend
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal