elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: les

les , lekse , les; veurmiddaglekse = voormiddagschooltijd. Gron. iemand de leks oplezen = hem doorhalen, berispen, de les lezen; ’t was ’n hijle leks = een lange lijst van aanmerkingen, een zondenregister. Friesch leksom = berisping, straf, harde les. Oostfr. Neders. Holst. lekse, leks = les. Van het Lat. lectio.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
les , lesse , (vrouwelijk) , lessen , les.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
les , leks , voor: les; iemand de leks oplezen = de les lezen, doorhalen, bestraffen; ’t was ’n hijle leks, bv. van aanmerkingen = eene lange lijst, een zondenregister; an ’t opleksen goan = aan ’t opsommen (oplezen) gaan van grieven, of van geheimen ten nadeele van een persooon. Friesch leksom = berisping, straf, harde les; Oostfriesch, Nedersaksisch lekse, Holsteinsch lex = les, van het Latijnsche lectio.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
les , lës , vrouwelijk , lësse , lëske , les; onderricht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
les , lesse , les.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
les , les , lesse , de , lessen , Ook lesse (Zuidwest-Drenthe, noord) = les Onder de les meuj stille zitten (Hol), Ik heb nog les had van aol mister Benning (Zwe), Hie was niet bij de les lette niet op (Sle), Hij wol niet um liek, mar ik zal hum de les lezen (Ruw), Hij hef zien les eleerd en zal nou wel bèter naodeinken veur hij weer hen de karmis giet (Ruw), Het was veur hum een goeie les dat e oet die boom oetvallen is, hie zal der vervast niet weer inkrupen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
les , les , les
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
les , lesse , les, onderricht. Ik heb nog lesse van de olde meister ehad.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
les , les , lekse , zelfstandig naamwoord , de; les
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
les , leksem , zelfstandig naamwoord , in et leksem opzeggen de les lezen, de mantel uitvegen, et leksem anzeggen e.d. id.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
les , lês , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , lêsse , lêske , les , VB: Hebs te d'n lês al gelierd? Daan vraog ich ze dich 'ns aof.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
les , lesse , (zelfstandig naamwoord) , les.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
les , lès , (vrouwelijk) , lèsse , lèske , les
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
les , les , zelfstandig naamwoord , lesse , leske , 1. les 2. verhaal: inne Panorama staon sjoeën lesse – in de Panorama staan mooie verhalen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
les , lès , lés , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , lèsse/lésse , lèske/léske , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); les
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal