elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lest

lest , lest , (bijvoeglijk naamwoord) , lastig, strekkend, ruim.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
lest , lést , léêst, látst , laatst. Wie ’t léêst lacht gùt ok dood! Wie ’t laatst lacht gaat ook dood; einde léêst augustus, op ’t léêst van einde augustus, op het eind van de maand; Van ’t látst kort geleden; van’t léêst laatst. van’t léêst hé’k ’m no
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lest , lêste , lest , (lest best) de lêste ês de bêste
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
lest , léste , lèste, leêste , bijvoeglijk naamwoord , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede en derde vorm Nederweerts, Ospels; laatste
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
lest , lést , leêst , bijwoord , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; laatst, onlangs
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal