elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: links

links , bilinks , aan de linkerhand.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
links , links , in: iemand links loaten liggen = zich niet met hem bemoeien, doen alsof hij er niet is. Oostfriesch: he let hum hêl links liggen = bekommert zich niet om hem. Fritz Reuter: hei let em linksch liggen. – ik (of: hij, enz.) nijt links, bijwoordelijke uitdrukking, elliptische zin = ik was dadelijk gereed (om mij te verdedigen, of: ʼt hem betaald te zetten, als het handdadigheden betreft), eigenlijk zooveel als: ik gedroeg mij, op dat oogenblik, niet links, was dus goed bij de hand.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
links , leenks , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , links, linkshandig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
links , linkse , bijvoeglijk naamwoord , Variant van linker. | M’n linkse skoen is zoek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
links , léngs , links. Eeme léngs laote ligge: iemand links laten liggen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
links , links , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. links Hij ridt op de weg teveul naor links (Bov), Ik laote hum links liggen (Hgv), Bin ie links? Antw. Dan kun ie oe rechts aover de bek laoten schijten (Hol) 2. linkshandig Ik bin altied links west en ik schrief ok links (Rod), Mien vrouw döt alles links (Dwi) 3. links in politieke zin Linkse partijen (Hijk) 4. onhandig (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij liekt mij wat links (Mep), Dat wark stiet hum links (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
links , leenks , bijvoeglijk naamwoord , links , VB: Réch doer en dan leenks aof.; linker leenkse VB: M'nne leenksen érm dèit mich pyng.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
links , liengs , links en binnenste buiten.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
links , lings , binnenstebuiten, links , Ge hét oew trèùj links èn, sukkel dè ge bént. Je hebt je trui binnenstebuiten aan, sukkel dat je bent., Lings zén. Linkshandig zijn. Linkse politiek voorstaan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
links , links , bijvoeglijk naamwoord , linkse , 1. links 2. linkshandig 3. binnenstebuiten: die trui mótj ge links wasse – die trui moet u binnenstebuiten wassen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
links , lînks , bijvoeglijk naamwoord , links, onhandig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
links , links , lings , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Dirk Boutkan:  (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lings; WBD III.1.3:11 'links' = binnenstebuiten; ook: 'gereformeerd'; WBD III.4.4:309 'links' = verkeerd, averechts; links, linker-; Dialectenquête 1876 - rêchs en links; A.P. de Bont – bijvoeglijk naamwoord  'lings' links - m? de lingse hand - met de linkerhand; Antw. LINGS bw - links
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal