elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lodig

lodig , loodîg , wichtig, veel soortelijk gewicht hebbend; zij ’s nijt groot moar zij ’s loodig = toch weegt zij zwaar; ’t was moar ’n luk hoopke, moar loodig = het kleine beestje leverde toch veel ponden uit.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lodig , loeëtig , bijvoeglijk naamwoord , zwaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
lodig , luuetig , loodzwaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal