elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loeien

loeien , loeie , werkwoord , Ook: hard, onbesuisd trappen of slaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
loeien , loeie , werkwoord , loei, loeide, geloeid , [O] kluisteren (met een touw of ketting de kop van een koe of paard aan de voorpoten vastbinden, om te voorkomen dat ze schade toebrengen aan de vruchtbomen waaronder ze in de boomgaard grazen) Je mottun koe loeie anders mottie d’n bôôgerd uit Je moet een koe kluisteren anders moet zij de boomgaard uit
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
loeien , loeje , loetj, loedje, geloedj , luiden , Loejendje klokke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
loeien , lowwe , werkwoord , lowtj/loetj, lowdje/loedje, gelowdj/geloedj , loeien, luiden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal