elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lomperik

lomperik , lómperik , mannelijk , lómperikke , lomperd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
lomperik , loomperik , zelfstandig naamwoord mannelijk , loomperikke , - , lomperd
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
lomperik , lomperik , (zelfstandig naamwoord) , onbehouwen persoon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lomperik , lómperik , (mannelijk) , lomperik
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lomperik , lômperik , loomperik , zelfstandig naamwoord, mannelijk , lômperike/loomperike , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); persoon, lomp
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal