elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: looien

looien , looien , eene blauwe kleur aan een voorwerp mededeelen, afgeven, bv. van kersen, bessen, enz. gezegd, alsmede van ijzeren potten. Vgl. Oostfriesch aflojen = aflaten van loog.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
looien , looien , Plakken, blijven praten, boomen. In Dev. bestaat(?) een kegelclub: “Komt En Gooit En Looit” (K.E.G.E.L.).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
looien , looe , loode, haet of is geloot , leerlooien.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
looien , looien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. looien Die vellen die moet nog looid worden (Oos), De eeikschellers haolt de schel van de eeik en die schel wordt laoter bruukt veur het looien (Eex) 2. loeren (Zuid-Drenthe) Hij looit erop um dat baantien te kriegen (Mep), Jopk is der slim op looid dat e een borrel van een aander kreg (Eex), zie ook bij gelooid
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
looien , looien , werkwoord , 1. looien 2. erop uit zijn te verwerven, voordeel te hebben van, in looien op
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
looien , loeje , werkwoord , loejde, geloejd , leerlooien , VB: Vél van bieste môt geloejd wërde, aanders krys te gèi lèr.; looien VB: Bié 't loeje wörd van biestevél lèr gemak.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
looien , loeaj , loeaje , looien , Van noew aerpele en vese neut kriegs se loeaj henj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
looien , loeaje , loeatj, loeadje, geloeadj , looien van leder
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
looien , loeëje , werkwoord , looien, verkleuren van appels
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
looien , lôoje , zwak werkwoord , lôoje - lôojde - gelôojd , looien; WBD lôoje- looien, het bereiden van leer (II 598)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal