elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loot

loot , lotte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , lotn , lotjen , loot
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
loot , luit , mannelijk , luite , luitje , bolster, peul of schil van zaad of vrucht. Dat hink in de luit: dat wordt spoedig verwacht; een meisje dat naar een vrijer uitkijkt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
loot , loot , lote, laote , de , loten , (Noord-Drenthe). Ook lote (Zuidwest-Drenthe, noord), laote (Zuidwest-Drenthe, zuid) = (jonge) loot Der zit verscheiden mooie jonge loten an die boom (And), zie ook loon II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loot , loon , laon, lone, loning , het, de , lonen , Ook laon (Zuidoost-Drents veengebied), lone (Veenkoloniën), loning (Midden-Drenthe) = loot Steek den loon mor in de grond, dan komp e vanzölf an (Sti), Der zat een jonge lone aan die boom (Ros), Der komt neie loten, ...lonings an (Gro), zie ook loot
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loot , lóót , loot. mv. lóóten, boomscheut..
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
loot , lote , (Kamperveen) loot van een boom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
loot , lote , loot , zelfstandig naamwoord , de; loot, scheut van een struik, boom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
loot , luet , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , luete , - , peul , VB: Érte, boene en nuüt hebbe luete. Zw: 't Hynk ién de luete: a. het staat op het punt te gebeuren b. het is nog niet geheel zeker dat het gebeurt. Zw:'t Mèitske hynk ién de luet: ze is huwbaar (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
loot , lôôte , loten van planten, het uitschieten/uitlopen van planten , t’is zukke lekker weer, dattur nou al lôôte aon diejen bwôôm kome = het is zulk mooi weer, dat de bomen nu al uitlopen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
loot , lot , jonge tak, loot; lottig, (van bomen) grote loten hebbend (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
loot , loeët , zelfstandig naamwoord , luët , luëtje , loot, ent ook oetluiper, sjuët
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
loot , loot , zelfstandig naamwoord, onzijdig , lote/loeëte , leutje/luuëtje , ent, loot; loeët ent loot
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal