elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luiszak

luiszak  , loeszak , een onbeduidend persoon.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
luiszak , loeszak , mannelijk , loeszėk , vlegel, valsaard.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
luiszak , loéssak , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , onverzorgde , (persoon met onverzorgde haren) loéssak
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
luiszak , [stiekem persoon] , loeszak , (mannelijk) , vervelend, stiekem persoon
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
luiszak , loeszak , zelfstandig naamwoord , loeszek , loeszekske , 1. stiekemerd, gluiperd 2. geslepen persoon
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
luiszak , loêszekske , loêszekskes , (verkleinwoord) persoon, onbetrouwbaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal