elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: naairing

naairing , naairing , zelfstandig naamwoord de , Soort vingerhoed met open top (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
naairing , nèèjring , naaigereedschap: naairing, ook gebruikt in de betekenis van vingerhoed.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
naairing , nèeiring , de , nèeiringen , vingerhoed zonder bodem Mit een neeiringe kunden ie de nale en de fiene stof beter vulen (Dwi), Een nèeiring is van blank metaal en van binnen vaak koper, want ij kriegt er een grune vinger van (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
naairing , néirink , vingerhoed.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
naairing , nejrînk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , nejring , nejringske , vingerhoed
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
naairing , naojring , zelfstandig naamwoord , naairing; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: nen naojring vól (De'59) = niets (naairing = vingerbeschermer bij het naaien, die aan twee kanten open was)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal