elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nat

nat , nat , nette , (bijvoeglijk naamwoord, vrouwelijk) , natte , nat (nat); nat, water, urine (nette).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nat , nat , zie: lank nat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nat , nat , nat - dreug (= droog), in de zegswijs: hij lust zien nat en dreug wel. hij ken zien nat en dreug wel op = hij lust wel wat, hij is een goed eter; gijn nat of dreug kriegen (= niks over de lippen, of: over toom kriegen) = niets te eten of te drinken krijgen, wanneer men er behoefte aan heeft, er althans op gerekend had. Oostfriesch nat of dröge.
nat - voel, in: nat en voel liggen, zegt men van een zware zieke die bewusteloos nederligt, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nat , nat , (bijvoeglijk naamwoord) , vgl. drijfnat.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nat , nat , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. langnat.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nat , nat , zie lank nat *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
nat , natten , nattens , als zelfstandig naamwoord = vochtigheid; ’t luidt ook wel natte, vgl. gaute * en zuitte , alsmede ’t Nederlandsch grootte en bij v. Dale: oute, zoo ook: in de la(at)te (omgekeerd vroegte) zijn.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
nat  , naat , (lang uitspreken) , nat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nat , nat , zelfstandig naamwoord, onzijdig , jus. Nen natn dr ouwr hen, wat drinken na het eten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nat , nat , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , nat
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nat , nat , (ouderwets), jus
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
nat , nat , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: vruchtensap. Het woord komt voor in samenstellingen als: bessenat, bramenat, perenat, pruimenat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nat , nat , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze nat weze, dronken zijn. – Nat gaan, o.a. klaverjasterm gebezigd als degenen die moeten spelen minder punten halen dan hun tegenstanders.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nat , naat , naater, naatste , nat. “Hae is van naat hout gemaak en haet zich getrokke” wordt gezegd van een mismaakt persoon. Ipakke mit de waar, veurdat ze dich naat wurt: het zeil naar de wind zetten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nat , nat , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. nat, niet droog Het regent. Pas mar op, ie wordt helemaol nat (Eri), Het veurjaor van 1983 was veul te nat (Rui), Het kind is ok weer nat heeft een natte luier (Sle), Ik heb de kleren nat an de pokkel van zweet (And), Het kan mij niet schelen, wat as ie te drinken hebt. As het maor nat is (Nam), Ik was zo nat, ik har gien dreug draod meer an de hoed, ik har het er tot het hemd toe deur (Sle), Het is natte vingerwerk (Ass), Maak je börst maor nat, want nou zal het gebeuren (Hoh), Die is nog nat achter de oren weet nog niet veel, is onervaren (Klv), Hij is zo nat as een zak (Wijs), ...een aol zak (And), ...een natte zak (Hol), ...stront (Anl), ...ain kadde (Eco), ...een verzopen katte (Bco), ...mes mest (Bei), ...een dweil (Die), ...een zwien (Exl), ...een hond (Zwe), ...een plagge, .... driet (Sle), ...een poedel (Eco) 2. met betrekking tot drank Hai het nog ain knaok, dai maoken wie nat maken wij op aan drank (Vtm), Het hoes natmaoken inwijden (Eex), Hij is weer heilemaol nat dronken (Nsch), Hij is aordig nat op de lever drinkt veel (Eev), Hij is van de natte gemiente (Scho) 3. verliezend bij een (kaart)spel Hij is met kaorten nat worden heeft slagen niet gehaald (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nat , nat , het , vloeistof, waarin vlees, groente, vruchten etc. gekookt of getrokken zijn Ik moe gien rozienen hebben, geef mij mor wat van het nat (Bor), Het nat van de erpel of bonnen moej tegen het gaar worden ofgieten (Dal), Het nat van de prei is goed veur de blaoze (Flu), Het nat van het vlais weur in weckflessen daon (Nor), Zuut nat stroopwater (N:Wijs), Wat eten wij? Antw. Nat mit kloeten (Nam) 2. sap van vruchten Het nat van die paren löp oe um de kinne (Mep) 3. vocht Hij zurgt wal dat hij zien nattien en zien dreugien op tied krig zorgt goed voor zichzelf (Bui), Hier is het vat, bedankt veur het nat (Eev), Het is iene pot nat, of ie van de katte of de kater ekrabd, ...ebeten wordt (Zdw), Het nat van Schiedam jenever (Wee) 4. wondvocht Het vurig nat komp der oet (Sle) *Het nat van de negosie is bèter dan het vet van de arbeid (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nat , nat , zelfstandig naamwoord , jus
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nat , nat , bijvoeglijk naamwoord , nat. Ze bin nog nat achter d’oren ‘ze zijn nog te jong’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nat , nat , jus. Zie ook: papnat en kârnemelksnat.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nat , toch nat , toch nat , Nie gepist én toch nat. Niet geplast en toch nat. De schuld krijgen en toch de dader niet zijn.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nat , nat , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord , et; groentenat e.d., vocht 1. nat 2. regenachtig, met regen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nat , nat , uitdrukking , Da’s nie gepist, maor toch nat Uitdrukking als iets erg duur uitvalt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
nat , näot , bijvoeglijk naamwoord , doornat , näot tot op ze ziëvende vél; nat Zw: Zoe näot wie 'n verzoëpe kat. Zw: Mêt 'nne näote vinger: heel gemakkelijk.; näot mäoke bevochtigen näot mäoke VB: De kêns d'n dêksel van d'n appelesjlôf 't bêste näot mäoke, dan wörd 'r sjoen broén.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
nat , näot , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , nat , näot; VB: Ich heb hûi näot noch druug aon m'n luppe gehad.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
nat , nattes , nattigheid , Nattes hébbe. Natte voeten hebben.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
nat , nat , jus; natpot, juspannetje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
nat , [vloeistof] , naat , (onzijdig) , vloeistof, sap , Dae koffie is net ziepnaat. Det is eine pot naat.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nat , naat , nater, naatst , nat , De nate zak drage: het vervelende werk moeten opknappen. Emes mètkriege mèt eine nate vinger: iemand gemakkelijk kunnen overhalen. Kletsnaat. Mèsnaat. Neet väöl naat make: niet veel presteren. Zeiknaat.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nat , naât , naat , bijvoeglijk naamwoord , nate , nat; nate aenj – iemand die helemaal doorweekt is, zeiknaât – doornat, kletsnat
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
nat , naat , bijvoeglijk naamwoord , nat
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
nat , naat , zelfstandig naamwoord, onzijdig , vloeistof, vocht
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
nat , nat , bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen: bekakt, dikdoend; WBD III.1.2:267 'gezworen nat' = etter; WBD III.2.2:30 'nog nat' - nog niet zindelijk (kind); WBD III.2.3:154 'nat' = sap (van bv. vruchten); WBD III.4.4:49 'het is een natte' = druilerig, nat weer; Id. 50 'nat weer, natte kou' = koud, nattig weer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
nat , naat , nater – naats , nat
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal