elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nevelen

nevelen , neveln , nèveln , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook nèveln (Zuidwest-Drenthe, zuid, N:Nsch) = 1. misten, nevelen Je moet wal reken dat het tegen de aovend weer begunt te neveln (Odo), As de boeren an het kalkstrèèien bint, dan nevelt het over het laand hen (Hijk), Het stof nevelt oet de zolder bij het schonen (Sle), Hail fien sproeien nuimen wie ook wel neveln (Twe) 2. wazig zijn Het nèvelde mij wat veur de ogen (Zdw), Het begunt hum wat te nèveln, hij is niet hielemaole helder meer (Zdw) 3. hard lopen, hard gaan (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Wat lèup die kerel, hij nevelde der langs (Ruw), De haze nevelde der tussen uut (Hgv), Hij jeug zo onwies hard, hij nevelde der aover (Ruw), Het nevelde achter de wagen an stoof (Sle), Hij gaf die vent een klap dat het zo nevelde daverde (Hav), z. ook nieveln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nevelen , naevele , werkwoord , (Nederweerts, Ospels) misten/mistig zijn
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal