elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: niksnutter

niksnutter , niksnutser , iemand die niets nuttigs verricht, een dagdief.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
niksnutter  , niksnutser , tot niets in staat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
niksnutter , niksnutter , zelfstandig naamwoord , de; niksnut, flierefluiter
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
niksnutter , niksnötser , zelfstandig naamwoord mannelijk , niksnötsers , - , nietsnut , niksnötser
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
niksnutter , niksnötter , zelfstandig naamwoord, mannelijk , niksnötters , (Nederweerts) nietsnut
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal