elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: parmantelijk

parmantelijk , [deftig] , permanteliek , parmant, Gron. Friesch Over-Bet. permantig, NBrab. paramantig = moedig, deftig, bij Hooft = deftig, statig. Kil. parmant, parmantigh = bedaard, rustig, deftig, ernstig, eigenlijk = opgesmukt, opgeschikt, van ʼt Fransche parer, waarvan parement.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
parmantelijk , premanlijk , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie pemantig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
parmantelijk , permântelik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , zelfbewust
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal