elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: parmantig

parmantig , promantig , parmantig , (bijvoeglijk naamwoord) , vol inbeelding, verwaand deftig, kinderachtig grootsch. Het is een promantig ventje; zie, hoe promantig zit de kleine Frits in grootvaders leuningstoel, zich inbeeldende dat hij grootvader zelf is.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
parmantig , pêrmantig , parmantîg , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) = met een zweem van trots, vooral blijkbaar uit de houding, eenigszins brutaal; ʼt is ʼn permantîg ventje; hij kwam dʼr zoo permantig anstappen; ook Friesch, Over-Betuwsch Bij Hfft. parmantig = moedig, deftig, Hooft: parmantig = deftig, statig; Kil. parmant, parmantigh = bedaard, rustig, deftig, ernstig. v. Dale: parmantig = zwierig, schoon uitgedost, bij uitbreiding = statig, deftig, en ontleend aan het Spaansche paramente, dat tooi, dos beteekent. –
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
parmantig , permanteg* , bij v. Dale parmantig = deftig (Spaansch: paramento = tooi.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
parmantig , permándig , premandig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Dialectische variant van parmantig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
parmantig , permantich , permantigger, permantichste , parmantig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
parmantig , parmantig , permantig, parmaantig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook permantig, parmaantig (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = parmantig Het is een parmantig kèreltien; hie kan zo parmantig lopen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
parmantig , pemantig , parmantig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: premanlijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
parmantig , permantig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , en var.; parmantig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
parmantig , parmandeg , bijvoeglijk naamwoord , parmantig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
parmantig , permaantig , bijvoeglijk naamwoord , - , parmantig , VB: 'r Kaom permaantig ién, zat zich neer, loorde 'ns roond en doeg es of zjus niks gebëurd wáor.; zomaar permaantig
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
parmantig , pèrmantig , parremantig , dapper
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
parmantig , pemantig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , parmantig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
parmantig , permântig , bijvoeglijk naamwoord , zelfbewust
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal