elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pekdraad

pekdraad , paekdraot , mannelijk , paekdräöt , paekdräötje , pek- of pikdraad (schoenmakersdraad).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pekdraad , pikdroad , draad met pek besmeerd en gebruikt door schoenmakers en zadelmakers.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pekdraad , pikdraod , het , pekdraad Pekdraod is dunner as pektouw en weur deur schoemakers gebruukt (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pekdraad , [pekdraad] , paekdraod , (mannelijk) , pekdraad, schoenmakersgaren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pekdraad , paekdraod , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pekdraad
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pekdraad , pèkdraod , zelfstandig naamwoord , WBD pekdraad: de draad die men maakt door hennep- of vlasvezels in elkaar te draaien en met pek in te smeren door middel v.d. strijklap (II:698)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal