elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: peuk

peuk , peuk , eenen afgunstigen of schraapzuchtigen mensch. Ook wel een plaatzieke jongen of meisje.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
peuk , pök , (mannelijk) , klein eindje (wordt van een eind sigaar, van een kleinen jongen enz. gezegd).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
peuk , peuk , eindje sigaar.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
peuk , peuk , peukel , klein ventje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
peuk , peukie , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: klein, nietig persoontje of diertje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
peuk , peuk , peuke , de , Ook peuke (Zuid-Drenthe) = 1. peuk Gooi het peukien maor weg, die hoej niet op te roken (Bui) 2. penis (Midden-Drenthe) Hie hef jeuk an de peuk (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
peuk , peukien , peukje van een sigaret
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
peuk , peuk , jongetje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
peuk , peukien , peukje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
peuk , peuke , zelfstandig naamwoord , de; eindje sigaar of sigaret, ook als scheldwoord gebruikt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
peuk , peukske , puuëkske , peukskes/puuëkskes , (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beetje, klein, zak, gevulde (graan/meel)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal