elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pierik

pierik , pierrik , regenworm of aardworm, de bekende paarskleurige worm die bij spitten en ploegen of bij regen voor de dag komt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pierik , périk , zelfstandig naamwoord , périke , périkske , pier, regenworm, aardworm (Lumbricus terrestris); eine Maasvès bietj neet in eine heipérik – een zoon van een rijke (klei)boer trouwt niet met een dochter van een keuter(zand)boertje; zoeë mager wie eine périk – broodmager; emes eine périk oet de naas hoeële – alles van iemand willen weten, iemand het hemd van het lijf vragen (Middelnederlands: pierinc)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pierik , peêrik , zelfstandig naamwoord, mannelijk , peêrike , peêrikske , pier
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal