elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pijlstaart

pijlstaart , [soort vogel] , pijlstaart , (zelfstandig naamwoord) , wat van vreemd ras is. Eigenlijk heet een zekere soort eendvogel met spitsen staart pijlstaart. Van daar noemt men de kinderen van een duitschen vader en hollandsche moeder pijlstaarten, zoo ook omgekeerd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pijlstaart , pielstaart , de , 1. dier met een korte staart Dat schaop hef een pielstaart armelijk, klein staartje (Sle), Bie een schaop zeg wie bolsteert en bie peerden pielsteert (Ros) 2. schaap met lange, kortbehaarde staart (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Een pielstaart is een Freeis schaop met een lange gladde staart, waor as gien wol op zit (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pijlstaart , pielstät , (Kamperveen) 1. uitgedunde staart van een paard; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: paard met een dunne staart; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: paard dat niet mak is
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pijlstaart , pielstat , pielkestat, pielestat , zelfstandig naamwoord , de 1. kale, puntige staart: vooral bij paarden en het zogeheten Friese schaap 2. schaap met een onbehaarde, dunne, aan een pijl doen denkende staart, d.i. vaak bij het Friese schaap 3. paard met een dunne staart 4. wilgenroosje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pijlstaart , piêlstèrtje , piêlstèrtjes , (verkleinwoord) staartmees
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal