elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pikantig

pikantig , pikantig , pikanterig , bijvoeglijk naam en bijwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Pols), pikanterig (LPW: Lop) 1. lastig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop, Pols); ‘Dat is toch een pikant wijf, je kan niks zegge of ze heb er commentaar op.’ (Werk) 2. (bn en bw) driftig (KRS: Bunn) 3. (bn en bw) afgunstig (KRS: Bunn) In deze betekenis komt dit woord ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 103). 4. (bn en bw) secuur, netjes (in positieve zin) (LPW: Bens, Pols) Mogelijk samenhangend met het woord pikeur .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
pikantig , pikantig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = kwaad Wat een pikantig kèreltien (Sle) 2. jaloers (Kop van Drenthe) Ik bin der wel een beetie pikaantig op (Row), z. ook spiekantig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pikantig , spiekantig , spiekaantig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook spiekaantig (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. opstandig Hai was een beetje spiekaantig, dat hom de koop nait lukt was (Zui) 2. afgunstig (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Spiekaantig weden, as oe wat de neuze veurbij giet (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pikantig , spiekantig , bijvoeglijk naamwoord , 1. slim, listig 2. nijdig, boos
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pikantig , pikantig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , zichzelf nogal op de voorgrond plaatsend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pikantig , piekanteg , bijvoeglijk naamwoord , [O] afgunstig, naijverig Die twêê benne altijd piekanteg op mekaor Ook piekantereg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pikantig , perkântig , bijvoeglijk naamwoord , jaloers
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal