elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pilaar

pilaar , pile , pijlaar.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
pilaar , pilaar , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. achtkantpilaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pilaar , pilaer , pilaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pilaar , pelaer , mannelijk , pelaere , pelaerke , pilaar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pilaar , pilaar , pilaor, pilaore , de , pilaren , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook pilaor (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe), pilaore (Veenkoloniën) = pilaar In de Grote Karke staot pilaren en daordeur bint er plaotsen, waor aj de domeneer wel heuren kunt, mar niet zien. Dit bint blinde plaatsen (Hgv), An een olderwets kamnet zitten twei pilaoren (Row), In de kerk staot pilaoren en under de brug pielders (Dro), De pilaor onder de brug is verzakt (Een), Hij stun as een pilaor stokstijf (Rol), Der stun een stevige pilaar tegen de muur an steunbeer (Zwig), z. ook pielder, stender, pilaster
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pilaar , pilaor , pilaar , zelfstandig naamwoord , de; pilaar (bijv. in de kerk)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pilaar , pelèr , zelfstandig naamwoord mannelijk , pelère , pelèrke , pilaar , pelèr Zw: 'r Hêlt de pelère réch ién de kërk: hij staat tijdens de diensten altijd achter in de kerk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pilaar , pelaer , (mannelijk) , pelaere , pelaerke , pilaar
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pilaar , pelaer , zelfstandig naamwoord , pelaere , pelaerke , pilaar
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pilaar , pelaêr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pelaêre , pelaêrke , pilaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pilaar , pielèèr , zelfstandig naamwoord , pilaar; Stadsnieuws: 'pelèèrbèèter' = iemand die tijdens de kerkdienst altijd tegen een pilaar achter in de kerk leunt; hypocriet, onechte heilige (220206); – Sint Andreas al bij de pielèèr (uit de volksvoordracht 'De heiligen in 't portaal' )
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
pilaar , pilaer , pilaere , pilaerke , pilaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal