elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Pin

pin , pin , pinne , (mannelijk, vrouwelijk) , pen; (i)eemand en pin vör de nöze of op den sta(r)t zetten, iemand beletten om zich al te vrij te bewegen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pin , pinne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , pinn , pinnken , pin. Oarns ne pinne vuur stekng, ergens een stokje voor steken; t is op de pinne, ’t staat op het punt; an de pinne roekng, zich erg inspannen; eenn te deep in de pinne zitn, iem. in iets dwars zitten; de pinne op n nueze kr
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pin , pin , m , gierigaard, vrekkig iemand wa ’ne pin! Wat een vrek!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pin , pin , mannelijk , pin , pinke , pin, of: pen; houten pennetjes voor het bevestigen van schoenzolen; gereedschap van been, waarmede de kleermakers “de traochelsvaem” (zie daar) uit een werkstuk verwijderen. Eine greutsje pin: een verwaande kwast. Hae haet aan de pin gelėk:
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pin , peen , pin; enne gere.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
pin , pin , zelfstandig naamwoord , pin. 1. ’ne gierrege pin. ’n Gierigaard. 2. Zò zat as ’n pinneke. 3. In oude tijden had een fiets een pinneke. Dat zat aan de achteras en werd gebruikt om op te stappen. Baron van Slingelandt (1884-1967) maakte er als laatste tot op hoge leeftijd virtuoos gebruik van.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
pin , pin , zelfstandig naamwoord , 1. wortelstronk van het teenhout, waarop de twijgjes groeien (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5. 2. zie * .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
pin , penne , pennen , gierig iemand
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pin , pinne , pin.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pin , pin , pinne, pen, penne , de , pinnen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook pinne (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe). In bet. 1. vooral pen(ne) in Zuidwest-Drenthe en Kop van Drenthe = 1. pen, pin De pinnen in de gebinten (Pdh), Een pin is van holt en een pen van iezer (Sle), Een pin is een kèupern penne veur het opschoeven van een raam, in aandere gevallen spreke wij van penne (Hgv), De pin op de deur zörgt er veur dat de deur van boetenoet niet lös daon wordt (Eex), Wij slugen een pin in de grond dat het gaos goed in de grond kwam (Sle), Hest de pinne van de wupkaorbak der goud indaon? sluitpen (Eco), De bovenkaant van de pinpaol is de pin (Sle), Zit er wel een pin veur het rad? (Eev) 2. pinnig persoon Wat een pinne van een wief (Dwi) 3. knijper Hij kreeg een pin op de neus (Row), z. ook bij pen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pin , [gierigaard] , pin , 1) gierigaard. zie ook prèngel; 2) eind. d’r een pin aon lullen, een eind maken aan het gesprek.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pin , pinneke , wasknijper.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pin , pinne , 1. pin; 2. gierige vrouw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pin , pinne , pinnechien , pen, pin. Heb ie de pinne op ’t raem edaon?; pinnechien, pinnetje. Veur ’t klompm klampm hej ’n stuk leer neudeg en höltn pinnechies.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pin , pin , pin, pennetje , Héij lul’ter ‘n pin ôn. Hij kletst er een pin aan. Hij kletst uit zijn nek.
Verkleinvorm pinneke. Ge moet in de klink van de déúr ‘s ‘n pinneke stèèke want die git'ter gereegeld af. Je moet in de klink van de deur eens een pennetje steken want die gaat er geregeld af.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pin , pin , uitdrukking , Hij is vandaeg of merrege weer ande pin Hij is binnenkort weer aan de beurt; Ze is êêuweg ande pin Ze is altijd bezig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pin , peen , zelfstandig naamwoord mannelijk , pên , pênneke , pin , VB: Zit d'n iézere peen aachter de poert, aanders wejt ze oëpe. Zw: Aon de peen lekke: het onderspit delven Zw: peen hawe: volhouden: V'r hebbe mêt de Broonk dry daog peen gehawe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pin , pin , gierigaard
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pin , pien , boomwortel. in de uitdruk­ king “piene rwôôije en klieve”. “boomwortels opgraven en tot kachelhout kleinmaken”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
pin , pin , boom wortel. ook “pien”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
pin , pinne , (zelfstandig naamwoord) , 1. pin; 2. bijdehante vrouw.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pin , pin , in er ’n pin èn lulle, een eind weg zwammen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pin , pin , 1. sigaar (Wageningen, sigarenmakersvaktaal); 2. deel van de deurvergrendeling; 3. wagenhaak; 4. gierigaard, vrek; 5. pen; van z’n pinnetje gaon, flauwvallen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pin , pin , pinne, pinwortel , penwortel, wortel die recht naar beneden gaat.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pin , pinne , venijnige vrouw (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pin , pin , zelfstandig naamwoord , gierigaard (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pin , pin , (pi~n), (pi\n) , (mannelijk) , pin , pinke , bevestigingspen , De pin t’r in houwe: ophouden met werken. Det pastj wie pin in Greet: dat past precies. Pin haoje: volhardend wachten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pin , pin , zelfstandig naamwoord , pinne , pin-ke , pin; de pin derin hauwe – afnokken, stoppen met werken; aanne pin zeên – uitgeput zijn zie ook pinke
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pin , pin , zelfstandig naamwoord , (meervoud) vingers, tengels; blief met dien pin van hem aâf – blijf met je tengels van hem af ook fikke
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Pin , Pîn , eigennaam , Pinne , Nederweertenaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pin , pin , (meervoud) vingers
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pin , pîn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pin , gierigaard
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pin , pîn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pinne , pinke , sluitpen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pin , pin-ke , pin-kes , (verkleinwoord) wasknijper
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pin , pin , zelfstandig naamwoord , "I pin, dennennaald; WBD III.4.3:100 pin - dennennaald; ook genoemd: spèl, mastespèl of nòld. WBD III.4.3:104 pin - dennenwortel, ook genoemd: puist, stronk, stomp; WBD III.4.3: 54 pin - hoofdwortel;. ook genoemd: pinwortel, (pèn)wortel; II overdreven zuinig iemand, gierigaard; Brabantse Spreekwoorden, Mandos: iets pin oover nèk doen ('75) - vlug en niet al te secuur; De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pin, zelfstandig naamwoord vr. pin, ... 3) gierig mens; Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIN - fig. gierigaard, gierige vrouw; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pin zn - pin: 'ne gierrege pin; zò zat as 'n pinneke; WBD III.3.1:199 'pin', 'gierige pin, gierigaard','vrek, knijperd, schraperd,peesteker' = gierigaard; III dooddoener; Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et pinneke van zen hart hangt in de strónt (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'; IV Gehaast; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ""pin over nek - haastig""; V Bijnaam; Karel de Beer, Bijnamenboek: pinneke Bressers = Johan Bressers, (blz. 28); Karel de Beer, Bijnamenboek: Stòkker pinneke = Stokkermans (blz. 75); Karel de Beer, Bijnamenboek: pinneke De Wijs (blz. 84); VI onderdeel werktuig; WBD (II:2397) 'pin' - arend (v.e. beitel); ook 'priem' genoemd; VII figuurlijk - sigaar; WBD III.2.3:290 'pin' = rechte sigaar"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal