elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pingelen

pingelen , [de weg herstellen] , pingelen , den weg ophoogen, effenen, herstellen. Pingelen, wateren. Mingere. Pingelen, afdingen. Deze drie zijn één! Teut. pegghe, punt, prop, spon. L. F. pich, klein lis-pitje in de nachtlamp. Pl. d. pegel, punt in een kan ten teeken hoe veel vocht er tot die hoogte ingaat. Een vochtmaat. Contr. peil, aanduiding op een schaal hoe hoog het water staat. Pegelen, iets tot zijn peil brengen door effenen en ophoogen. pe-n-gelen, pingelen, id. Pegelen, het vocht voorzigtig bij droppeltjes ingieten om tot de maat en niet hooger te komen: eene naïve afbeelding van het dingen in den handel. Pl. pegelen, mettre quelque liqueur par mesure et assez escarssement. Pl. pemelen [pimelen] donner de quelque chose chichement et escarssement. Van hier afpegelen, afdingen, en pingelen, dingen. Eindelijk is [pegelen] pingelen, en [pemelen] pimelen toegepast op eene flaauwe waterlossing. Hamburg, pinkeln, mingere. Overijs. pingelen, guttatim mingere. De overgang van druppelend ingieten tot mingere, is omgekeerd van mingere tot druppen in het H. S. van den Roman van Fergut, bl. 14. pisslinge, guttatim.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
pingelen , [afdingen] , penkelen , peekelen, pingelen, pinkelen , Afpegelen, voor afdingen, afknibbelen, waarvoor men elders penteren zegt. In den kleinhandel bijv.: “Wat ligde (ligt ge) weêr te penkelen?” Hierom zeg
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pingelen , pingelen , knibbelen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
pingelen , pingelen , Afdingen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
pingelen , pingelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Ook peuteren op fijn naaiwerk, dat bijna niet te bekijken is. Hetz. als priegelen; zie aldaar. || Wat zit je te pingelen op die fijne steken. – De gewone betekenis van het woord is afdingen, doch in het O. van ons land is pingelen ook nauwkeurig meten, de maat of hoogte nauwkeurig bepalen (DE JAGER, Taalk. Mag. 1, 320).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pingelen , pingelen , Afdingen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
pingelen , pengln , werkwoord, zwak , mieren, frunniken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pingelen , pingele , werkwoord , Ook: op irritante of gebrekkige wijze piano spelen of zo maar op de toetsen slaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pingelen , pingele , pingelde, haet gepingelt , pingelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pingelen , pingeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. afdingen Hie stiet aaid te pingeln um der wat of te kriegen (Val) 2. manier van voetballen, de bal alsmaar bij je houden Ie moet niet altied zo pingeln, ie moet wat vaeker de balle ofgeven (Dwi), Hie pingelde met de bal tot vlak veur het doel (Rol) 3. bepaald geluid maken van een motor Geef ies meer gas, die motor pingelt (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pingelen , penkeren , sterk afdingen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pingelen , pengelen , (Gunninks woordenlijst van 1908) afdingen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pingelen , pingeln , afdingen. Gaot er toch niet pingeln, um dat dink veur ’n paer centn minder te kriegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pingelen , pingelen , werkwoord , 1. pingelen, afdingen 2. erg lang aan de bal blijven, te lang blijven drijven 3. wegtrappen 4. dieselen, pingelen (van een motor)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pingelen , pengele , werkwoord , pengel, pengelde, gepengeld , pingelen, afdingen Ook pentere
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pingelen , pîngele , werkwoord , afdingen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal