elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pisser

pisser , pisser , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meestal in verkl. pissertje. Zie de wdbb. – Ook: slechte zoetemelkse kaas, die het gebrek heeft na enige tijd vocht uit te sijpelen. || ’t Is ’en slechte partij kees, der bennen veul pissertjes onder. – Te Zaandijk dient pissertje om de waarde van ¼ cent ( soms ook ½ cent) aan te duiden. Synon. funsie, munsie. || Wedden om ’en pissertje? – Vgl. de samenst. vuurpisser.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pisser , pisser , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Edammerkaas die het gebrek heeft, dat er na enige tijd vocht uit sijpelt. 2. Aardappel of andere veldvrucht waar vocht uit sijpelt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pisser , [penis] , pisser , (mannelijk) , pissers , pisserke/piske , 1. penis 2. kleine man, bang ventje
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pisser , pisser , pissert , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pissers/pisserts , pisserke , kereltje, dik ; pisser bangerik
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal