elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pitsen

pitsen , pitsen , (werkwoord) , uitnemend weinig drinken of proeven. , Hij pitst maar. Ge hebt er niet van gepitst.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pitsen , pitsje , pitsjde, haet of is gepitsj , knellen; drinken; afzetten. Hae haet zich erch gepitsj: hij heeft zich hevig pijn gedaan. Veer hauen ós ’ne goue gepitsj: we hadden een behoorlijk pintje gedronken. Hae ként niks angesj, ės wie de luu pitsje: hij is een afzetter.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pitsen , pitse , werkwoord , zie pieleje.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
pitsen , pitse , tegenzin in eten , Ge moet nouw ónderhand mér'res dur eete, ge zit ammel mér te pitse, it mér'res dur. Je moet nu onderhand maar eens eten, je zit maar te treuzelen, eet maar eens door.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pitsen , piezen , werkwoord , met lange tanden eten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pitsen , pitsje , werkwoord , pitsjde, gepitsj , knijpen , (mnl. 'pitsen': knijpen) VB: Aw, ich heb mich gepitsj tössje de taofellaoj.; drinken pitsje; zich 'nne goën pitsje drinken (een glaasje gaan drinken) zich 'nne goën pitsje
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pitsen , pitse , heel ongeïnteresseerd eten en dan nog met hele kleine beetjes, zodat iedereen kon zien dat je met tegenzin at, liever niet dan wel , zit nie zo te pitse = zit niet zo ongeïnteresseerd, zo onverschillig te eten- ééj, it is dur en zit nie zo te pitse = eet eens normaal door en doe dat niet zo onverschillig- agge wies wa ze in èrreme laande te ete krijge, dan zoude nie zo zitte pitse = als je wist wat ze in arme landen te eten krijgen, dan zou je niet zo met tegenzin zitten te eten-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
pitsen , [eten] , pitse , treuzelend eten, met lange tanden eten , Zit ’r toch nie zu te pitse, it dur. Treuzel niet zo met eten, eet door.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pitsen , pitse , werkwoord , kieskeurig eten (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pitsen , pitse , pitstj, pitsdje, gepitstj , 1. knellen, klemmen 2. kieskeurig eten 3. terloops iets gaan drinken in het café , Det wundje blieftj mich mer pitse.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pitsen , pitse , werkwoord , pitsjtj, pitsjdje, gepitsjdj , 1. (met vinger en duim aan puisten in het gezicht) peuteren, puisten uitknijpen 2. knellen: die sjoon pitse mich – die schoenen knellen 3. ich gaon der mich eine pitse – ik ga een pilsje drinken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pitsen , pitse , pitse, zich , werkwoord , pitsjtj, pitsjdje, gepitsjdj , met zijn vel ergens tussen bekneld raken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pitsen , pitse , werkwoord , pitsj, pitszje, gepitsj , afzetten, eten, met lange tanden, tik geven, korte felle
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pitsen , pitse , zwak werkwoord , pitse - pitste - gepitst , "kieskeurig eten; met beetjes opeten; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ""pitsen - overal even van proeven""; Cees Robben – Zit nie zôô te pitse.. pie-lie-klôôt.. (19800718); Ik zaat mar te pitse, meej de leepel te ruure. (Henriëtte Vunderink, haovermoutepap, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD III.2.3:17 'pitser' = IDEM; WBD III.2.3:24 'pitsen' = met kleine beetjes eten; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pitse ww - pielieje; Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pitse - treuzelend, met lange tanden eten, kieskauwen; Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pitse (II:43); K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - (Heeroma), Brabants 18e eeuw: PITSEN - sterken drank drinken, den sterken drank met kleine slokjes drinken. Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PITSEN onov.ww - kieskeurig eten = pieliën. De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pits?(n), zw.ww.intr. 'pitsen' - 1) met lange tanden eten; 2) sterke drank met kleine beetjes drinken. Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - scherp nijpen, knijpen met duim en wijsvinger, met de nagelen of eene tang, Fr. pincer; nauwelijks het voedsel aanraken, zonder lust eten; Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - eventjes aanraken en er een stuksken afnemen; Goemans, Leuvens taaleigen (1936):PITSEN – pits? wkw (reg.) - nijpen"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal