elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plaksel

plaksel , pleksel , m , plaksel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plaksel , plaksel , het , plaksel Plaksel haj neudig bij pepier plakken (Exl), Zie hangt an mekaar as plaksel (Emm), z. ook plak II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plaksel , [lijm] , pleksel , (mannelijk) , plaksel, lijm
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
plaksel , pleksel , zie plek (1)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
plaksel , pleksel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , plaksel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
plaksel , plèksel , zelfstandig naamwoord , plaksel, met water aangemaakt plakmeel; kleverige,doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plèk, hars, mèlk; WBD (II:709) plèksel - plaksel (niet vermeld)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
plaksel , pleksel , plaksel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal