elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plavuter

plavuter , plavuter , (mannelijk) , "arm mensch; ook wel voor een’ gemeenen kerel; onverschillig levend, weinig beduidend mensch."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
plavuter , plavuter , plevuter , zelfstandig naamwoord, mannelijk , plavuters , plavuterke/plevuterke , achterwerk, deugniet, plavuis, tegel, schooier, windbuil
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal