elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pleiten

pleiten , plaiten , pleiten. Zie: kou.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pleiten , plèite , plèitde, haet of is geplèit , pleiten; weglopen. Hae góng al drėk plèite: hij ging er aanstonds vandoor.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pleiten , pleiten , plaiten , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook plaiten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. pleiten Hij hef nog wal veur hum pleit, mar het is niet gelukt (Pdh) 2. procederen, (zelfst.) Zij hebt mit pleiten heur recht mutten halen (Flu) *Wel pleit um een koe, die gef liever een koe (Sle), of Die pleit um een koe, die gef er iene toe pleiten is duurder dan waar het om gaat (Hgv), z. ook procederen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pleiten , pleiten , pleiten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pleiten , pleite , werkwoord , gaan, er vandoor, weglopen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pleiten , pleite , pleitde – gepleit , weggaan
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal