elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plicht

plicht , pligt , last. Van een zieke die veel pijn heeft door te staan, wordt gezegd: hi hef nen zwaôren pligt. Wi hebt onzen pligt wâ = wij hebben ons deel wel van de aardsche zorgen. De pligt van den eenen is zwaôrder als die van den ander. In dien zin spreekt men ook van onzen pligt drägen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
plicht , plicht , (mannelijk) , plichte , plicht, taak, plaag.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
plicht , plicht , voor: taak, lastige taak, onpleizierig werk, wat tegen den zin moet verricht worden; ’t is ’n plicht altied op lu’ jonges te passen = ’t is alles behalve aangenaam altijd op kleine (lutje) kinderen te moeten passen; ’t is ’n plicht altied noa hōm op te zitten = zeer vervelend om telken avond op zijne komst te moeten wachten.
, voor plicht, wat plichtmatig is; ’t is zien schuldege plicht, ook: ’t is niks meer as ’n stoaltje van zien schuldege plicht = hij doet daarmee niets meer dan waartoe hij (zedelijk) verplicht is. Meer voorbeelden van pleonasmen: roode roodedendrum; woar gebeurd; poedelhond; toutalter; stille pantemiene; alleer joaren; Jannewoariemoand (enz.); oetbörgen; teuverhekse; kepotjas; voutpedoal (van een orgel); segebōk; (een of meer) gulden geld; tweibaiden, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plicht , plich , zelfstandig naamwoord, mannelijk , plichn , plicht, verplichting; plich lien, gebrek lijden, iets verduren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
plicht , plecht , oud gebruik
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
plicht , plich , vrouwelijk , plichte , plicht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
plicht , plicht , plechte , de , plichten , Ook plechte (N:Zuidwest-Drenthe) = plicht Ik kan mien plichten niet meer naokommen (Klv), IJ hebt de plicht um veur je aolders te zörgen (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plicht , plicht , plicht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
plicht , plich , plicht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
plicht , pliecht , plicht , És ge aalté 'w pliecht duu, dan moet'te nie zitte te prakkeziire of ge't wél goed duu. Als je altijd je plicht doet, dan moet je niet zitten te denken of je het wel goed doet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
plicht , pli-jt , pli-jcht , zelfstandig naamwoord, onzijdig , pli-jchte , (Ospels) plicht
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
plicht , pli-jt , pli-jcht , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , pli-jchte , (Ospels) leemgat
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal