elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ploegen

ploegen , plugen , onv. verl. tijd van: plaogen, Gron. plougen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ploegen , plougen , vanijn, vanain plougen, eene zekere wijze van ploegen, ter onderscheiding van: te hoop plougen = zóó ploegen dat de akkers eene ronde ligging verkrijgen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ploegen , plougen , ploegen. zie: bauen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ploegen , t oobe plougen , (ouderwets), te hoop ploegen = aanvurgen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ploegen , plouge , plouchde, haet of is geplouch , ploegen; sponningen schaven.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ploegen , ploegen , zwak werkwoord, overgankelijk , Var. als bij ploeg I = 1. ploegen Ie ploogt veul te diep (Die), Dizze akker moej schol ploegen ondiep (Sle), De boer geeit dizze akker tehoop en die gundse oet mekaor ploegen resp. de voren naar elkaar toe en uit elkaar ploegen, zodat er een hoge of een diepe middenvoor kwam (Eex), z. ook bouwen 2. werken met de ploegschaaf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ploegen , ploege , ploegen , Daor is gin rééchte vóór meej te ploege. Daar is geen rechte vore mee te ploegen. Daar is geen land mee te bezeilen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ploegen , ploege , uitdrukking , ploege smal en diep, dan groeit het koore op as riet Bij een goede voorbereiding komt alles goed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ploegen , ploge , werkwoord , ploogde, geploog, plogenterre , ploegen , VB: Op 't naojaor wörd gebèilk en op 't veugjaor geploog
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ploegen , ploge , ploogtj, ploogdje, geploogdj , ploegen , Det is geine verkieërdje, dao kóns se mèt ègke en ploge: dat is een meegaand iemand.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ploegen , ploge , werkwoord , ploogtj, ploogdje, geploogdj , ploegen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ploegen , ploge , werkwoord , ploegen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ploegen , ploege , zwak werkwoord , ploegen; WBD ploege, ook in de Hasselt; WBD I:1454 aanaarden met de ploeg (Hasselt): 'ònploeg?'; - ploege - ploegde - geploegd; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ploege (krt.100)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ploegen , plaoge , ploegen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal