elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plooi

plooi , ploojeöje , (vrouwelijk) , plooi.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
plooi , plöje , (vrouwelijk) , plooi.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
plooi , plooi , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. en vgl. een zegsw. op hemd. – Bij de molenmakerij. Een onderdeel van een molenwiel. Zware stukken hout in de vorm van cirkelsegmenten, die ten getale van vier het hoofdbestanddeel van het wiel vormen. Tussen de plooien zijn vier kruisarmen besloten; op de plooien is de velling van het wiel bevestigd. Zie Groot Volk. Moolenb. II pl. 2.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
plooi  , ploeëi , plooi.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plooi , plooje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , ploojn , pluejken , plooi. Wat oet de ploojn doon, iets duidelijk maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
plooi , ploi , m , plooi Héj hiel zien gezicht in de ploi Hij hield zijn gezicht in de plooi.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plooi , plooj , vrouwelijk , plooje , plööjke , plooi.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
plooi , plòj , plooi.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
plooi , plooi , de , plooien , plooi Ik haar mien rok te laank en toun heb ik er mor ain dwaarse plooi in maokt (Vtm), Wij hebt mit de mussebolte plooien in de musse legd (Nije), Hij hef gien plooien meer in de broek (Zdw), De plooien van een plooimus wazzen zo laank as een pink zowat (Row), (fig.) Wij hebben een domeneer, die nooit uut de plooi komp; altied èven arnstig (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plooi , plooie , plooi , zelfstandig naamwoord , de 1. plooi (in kleding, gordijnen e.d.) 2. in Die het et gezicht ok in de plooi zonder een spier te vertrekken, zonder dat er een lachje af kan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plooi , ploej , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , ploeje , pluujke , plooi , VB: r Hèt altiéd 'n ploej zoe sjérp es e mets ién z'n brook.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
plooi , ploeaj , (vrouwelijk) , ploeaje , pluuetje , plooi
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
plooi , ploeëj , zelfstandig naamwoord , ploeëje , pluëtje , plooi ook vaoj
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
plooi , ploeëj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , ploeëje , pluuëtje , plooi
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
plooi , ploeëj , ploeëje , pluuejke , plooi
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal