elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poker

poker , poker , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een schaatsenrijder die pookt. Zie poken. || O wat ’en poker komt deer an. ’t Is ’en poker, mooi rijje ken-i niet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
poker , poeëker , poeëkert , zelfstandig naamwoord, mannelijk , poeëkers , poeëkerke , sukkelaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal