elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pongelen

pongelen , póngele , póngelde, haet of is gepóngelt , sollen of dragen van, of: sollen met kleine kinderen; knuffelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pongelen , póngele , werkwoord , póngeltj, póngeldje, gepóngeldj , 1. op een overdreven manier knuffelen met een kind of een dier 2. kneden zie ook knaeje, mingele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pongelen , pôngele , poongele , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); prutsen, rommelen, werken, zonder succes
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal