elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pootaardappel

pootaardappel , pooteerappels , pooteerdappels , zie: poters.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pootaardappel , puateerappele , meervoud , pootaardappelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pootaardappel , poatérrepel , m , pootaardappel(en), poter(s).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pootaardappel , paotaerpel , mannelijk , paotaerpel , paotaerpelke , pootaardappel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pootaardappel , potjappel , pootaardappelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pootaardappel , pooterpel , paoterpel , de , Ook paoterpel (Zuidwest-Drenthe, zuid) = pootaardappel Pooteerappels muj vrog krabben (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pootaardappel , pooteerappel , pooteerpel , (Kampen) pootaardappel. Ook: pooteerpel (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pootaardappel , pooteerappel , pooteerpel , zelfstandig naamwoord , de; pootaardappel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pootaardappel , pootaerepel , zelfstandig naamwoord , pootaerepels , pootaerepeltie , pootaardappel Zie ook legpoters, leggoed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pootaardappel , paoteerpel , paoteerappel , (zelfstandig naamwoord) , pootaardappel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pootaardappel , [pootaardappel] , poeataerpel , (mannelijk) , pootaardappel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pootaardappel , pootaerpel , poeëtaerpel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pootaerpel(e)/poeëtaerpel(e) , pooraerpelke/poeëtaerpelke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); pootaardappel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal