elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prengel

prengel , prangel , prengel , vlegel, knibbelaar, gierigaard.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
prengel , prengel , (bijvoeglijk naamwoord) , vlegel, lomperd, lummel, Boerenprengel plag men vroeger niet zelden uit den mond van stedelingen te vernemen, waartoe de plompe houding en spraak der landlieden welligt veel aanleiding gaf. Afgeleid van het duitsche prügel, stok, knuppel.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
prengel , prengel , (mannelijk) , ongemakkelijk man, neetoor.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
prengel , prengel , Scheldnaam voor ʼn boer. N.-Br. prengel – gierigaard O. V. I. p. 220.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
prengel , prengel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Vlegel, pummel, lomperd. || Laat die prengel maar lopen. ’t Is ’en looie (luie) prengel. – Ook in de samenst. boereprengel, boerelummel. – Evenzo verderop in N.-Holl. (BOUMAN 84) en ook elders (Navorscher 9, 26; SCHUERMANS 506; GALLEÉ 34 b; DRAAYER 31 b).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
prengel , prengel , Scheldnaam voor een boer. N.-Br.: prengel – gierigaard. O. V. I, p. 220.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
prengel , prengel , mannelijk , eigenwijs mens
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
prengel , prengl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , prengls , prenglken , onuitstaanbare, lastige jongen of man
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
prengel , prengel , zelfstandig naamwoord de , Vlegel, lomperd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
prengel , prèngel , mannelijk , prèngele , prèngelke , prengel; dikke stok: de zgn. boereprèngel was vnl. bedoeld als verdedigingswapen; boerenkinkel, lomperd, vlegel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
prengel , prengel , enne gere.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
prengel , prengel , eigenwijs iemand.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
prengel , prengel , eigenwijs mirakel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
prengel , pengel , prengel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook prengel (Zuidwest-Drenthe) = afvalhout, uiteinde van talhout Aj brandholt muken, zuchten ij de aander dag de pengelties op um de kachel an te maken (Sle), Het dunne ende van een stuk holt is een prengeltien (Koe), z. ook prengel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prengel , prengel , de , prengels , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. mager persoon of dier Wat een magere prengel (Man), Die koe, wat is dat een prengel (Sle), Een lange, wat lompe kerel is een prengel (Wsv) 2. lange, wat stevige stok (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën) Ik zal even een prengel uut de bos haelen (Dwi), Zu’k die eine mit een prengel verkopen (Ros) 3. gierigaard (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Mit een prengel wörde een grote graoperd mit bedoeld (Hav) 4. mens, met wie niemand kan opschieten (N:Zuidwest-Drenthe) 5. afvalhout (Zuidwest-Drenthe), z. pengel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prengel , prèngel , gierigaard.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
prengel , prengel , zelfstandig naamwoord mannelijk , prengele , - , stok , (korte, dikke stok) prengel VB: V'r môtte 'nne prengel hebbe vuur de nuüt te kulle Zw: Vrollûi en nuüt môtte geprengeld wërde Zw: 'nne Sjtyve prengel: een niet-lenig persoon; vlegel prengel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
prengel , prengel , zelfstandig naamwoord , gierigaard (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
prengel , [kwajongen] , prengel , (mannelijk) , prengele , prengelke , 1. bengel, kwajongen, vlegel 2. knuppel, dorsvlegel, zie ook saro , Prengel des se bès! gezegd tegen een jongen die een ondeugende streek heeft uitgehaald.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
prengel , prengel , zelfstandig naamwoord , prengels , prengelke , 1. knuppel, stok 2. hufter ook kaôf, knöppel, kuus
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
prengel , prêngel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , prêngels , prêngelke , kwajongen, man, lastige , ruziemaker, vrek
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
prengel , prèngel , zelfstandig naamwoord , "gierigaard; WTT 2013 - afgeleid van het werkwoord 'prèngele'; dit werkwoord hangt waarschijnlijk samen met het moderne 'pingelen', 'afdingen'. Wie altijd afdingt = gierig. - Èn wieste, dè ne prèngel/ nôot ene sènt kan misse? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007); WNT lemma PRENGEL zelfstandig naamwoord m. (vr?) v.d. wortel 'prang' (± = klem), met verkleinwoordsuffix -el - 1) dikke stok, knuppel; II) naam v.persoon: 1) lompe vlegel, pummel; 2) in Gron. nietig, tenger ventje; in Maastr. 3) dik, mollig kind; WNT lemma PRENGELEN - Samenstellingen: PRENGEL, 1°. Gierigaard, in N.-Brab. (Onze Volkst. 1, 220; SCHUERM. [1865-1870]); 2°. Iemand, inzonderheid een vrouw, die altijd afdingt (SCHUERM. [1865-1870]; CORN.-VERVL.); PRENGELAAR (”prangeleer”, JOOS [1900-1904]; ”prengelèèr”, CORN.-VERVL. ”prenkeleer”, SCHUERM. [1865-1870]). PRENGELKONT, vrouw die altijd afdingt (CORN.-VERVL.). Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - – PRENGEL zelfstandig naamwoord v. - vrouw die altijd prengelt alvorens te koopen. Hees prengel, priengel (VI:64); Bosch prengel - gierig persoon; Henry J. Blacquière – Toen het zaterdagavond was en het werkvolk op de ""geut"" stond om hun loon te ontvangen, stond de deur naar het woonvertrek open. En toen de baas tegen Hanneske zei: ""Ou koei; is gestierd van de weak, dus da's veur jou zeuve stuivers minder,"" klonk het opeens door de open deur uit het woonvertrek:""""Neeë, aacht!"" Zodoende kreeg Hanneske acht stuivers minder uitbetaald en Mie had haar zin. Ze had hem toch nog een stuiver afgeprengeld.(Uit: De boeren van Kleidorp Noordbrabant, 1956); Schuermans - DJANGELEN, o. w. bij het koopen scherp afdingen : die vrouw kan niets koopen zonder djangelen. Dit woord, veel met; prangelen verbonden, schijnt ons den zelfden wortel te hebben als dingen, waar het een verbasterd freq. van wezen zal. Men zegt ook te Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - st. en pr. afdjangelen, in Br. afprengelen of afprenkelen ( Z. blz. 11 ). (Algemeen Vlaamsch Idioticon; 1865 e.v.); Schuermans – onder PRENGEL - in Antw., KL.-Br., Kemp. en elders: aanhoudend drukken , geweld , moeite doen , bijzonderlijk in den handel, in het koopen en verkoopen om wat af te dingen, en vandaar dat afprengelen 't zelfde is als : afdingen , djangelen. Prengel bet. in N.-Br. : een die altijd afdingt , een gierige en vrekkige mensch ; te Maastr.: een dik kind; elders in Limb. : iemand die stijf en lomp is, een kinkel. PRENGELAAR, een die prengelt. (Algemeen Vlaamsch Idioticon; 1865 e.v.)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal