elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prengelen

prengelen , prengelen , (werkwoord) , hard of overmatig arbeiden. Zie Prangel.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
prengelen , prèngele , prèngelde, haet geprèngelt , prengelen, slaan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
prengelen , ze geprengeld kriége , slaag , (een pak slaag krijgen) ze geprengeld kriége
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
prengelen , prengelen , pingelen, afdingen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
prengelen , prengele , werkwoord , trillen, schudden (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
prengelen , [aframmelen] , prengele , prengeltj, prengeldje, geprengeldj , aframmelen , Dae kriegtj ze vanaovendj geprengeldj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
prengelen , prêngele , werkwoord , afdingen, schooien
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
prengelen , prèngele , zwak werkwoord , prèngele - prèngelde - geprèngeld , scherp afdingen; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PRENGELEN - scherp bieden, nauw afdingen; WNT - lemma PINGELEN I - 1. Dingen op den prijs van iets, inzonderheid: door aanhoudend of kleingeestig te dingen een kleinigheid van den koopprijs af zien te krijgen. In dezen zin in verschillende streken bekend (b.v. in Holland, Gelderland, Overijsel, Limburg). Soms ook in den vorm pengelen; daarnaast hier en daar in Z.-Brabant en Limburg pinkelen (Onze Volkst. 2, 225; RUTTEN [1890]). Verg. ook PEGELEN (I) en PRENGELEN. WNT lemma PRENGELEN - Inzonderheid in het Brab. en Limb. deel van Nederl. en België bekend. (...) 3. Scherp bieden, afdingen in den handel (SCHUERM. [1865-1870]; PRENGEL, 1°. Gierigaard, in N.-Brab. (Onze Volkst. 1, 220; SCHUERM. [1865-1870]); 2°. Iemand, inzonderheid een vrouw, die altijd afdingt (SCHUERM. [1865-1870]; CORN.-VERVL.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal