elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prut

prut , prüt , (onzijdig) , koffiedik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
prut , pröt , prut , het drabbige, het bezinksel van eene vloeistof van koffie (alsdan = koffiedik), van inkt, enz.; ook voor weeke modder (Goorecht) (Weil.: prut, in Amsterdam gebruikelijk voor dikke karnemelk; ook droesem van walvischtraan.) Zie ook: dik, en: kōffiepröt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
prut , prut , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Een dikke, brijachtige massa; het bezinksel van allerlei vloeistoffen. Zie de wdbb. || Doen de prut van de koffie maar weg. Wat zit er ’en prut in de inktpot. – In het bijzonder: a) Bezinksel van olie of traan. Hetz. als dik. Vgl. de samenst. pruthuis, prutkoker, prutkokerij, prutkoper, prutmolen. – b) Gestremde melk. || “Daar komt de boer met karnemelk an. Kom laat de boer maar loopen, dan hebben wij geen prut of karnemelk te koopen” (kinderrijm), De Gids 1893, IV, 1. – Evenzo hier en daar elders in N.-Holl. (Navorscher 7, 258; Hs. Kool). || De Stolmelk, het welk melk is, die door de lebbe gestolt, dadelijk verkocht, en bijzonder te Amsterdam, onder den naam van Prut, vertierd wordt, BERKHEY, Nat. Hist. 9, 339. So aan Vis, so aan Vlees; so aan Melk, aan Room, aan Prut, aan Gebak, aan Gestoof, Groot Hoorns Liedboek 2, 170. Vgl. prutter. – c) Modder, slik. || Wat zit er ’en prut in die sloot. Ik ben in de prut ’ezakt. – Evenzo elders in N.-Holl. (Navorscher 7, 258; BOUMAN 85). Vgl. prutten, prutboel, prutschuit, prutsloot. Prut wordt ook minachtend gezegd van alles wat slecht of lelijk is in zijn soort. || ’t Is ’en hoed om “prut” voor te zeggen. Dat’s en dag, daar je “prut” voor zeggen magge (een miserabele dag). Och wat! prut! (larie!) – Prut zeggen wordt ook gebruikt in de zin van zijn minderheid erkennen, onderdoen. || Daar moet je prut voor zeggen (daarin moet je voor mij onderdoen, b.v. als iemand door meerdere rijkdom of invloed iets doen kan, dat de ander moet laten). Zeg maar prut (erken maar, dat ik je de baas ben; geef maar toe). Evenzo ook in W.-Friesl.; Hs. Kool zal met “prut zeggen, uitscheiden” (d.i. toegeven, zich niet meer verzetten?) wel hetzelfde bedoelen. – Prut dient ook om, met een zelfstandig naamwoord samengesteld, daaraan een minachtende bet. te geven. || Ik zet zo’n pruthoed niet op. Trek toch zo’n prutbroek niet an (kies toch niet zulk lelijk goed uit om je broek van te laten maken). ’t Is me ’et prutjassie wel! – Vgl. Vla. pruts, wat slecht is in zijn soort, wat weinig waarde heeft (SCHUERMANS, DE BO).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
prut , prut , pröttel , mannelijk , rommel. Nièmt ’n heelen prut meer met: neem de hele rommel maar mee.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
prut , prut , prudde , 1. modder. 2. in de prut joagen = in het honderd laten lopen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
prut , prut , uitroep, variant van proost!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
prut , prut , zelfstandig naamwoord de , 1. Bagger, modder. 2. Drab. Vgl. koffïeprut. Zegswijze van prut, waardeloos. | ’t Is ’n kirrel van prut. – ’t Wordt prut darse en water kneppele, 1. het wordt een zwaar, smerig karwei. 2. het is onbegonnen werk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
prut , prut , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Deftig, mooi (verouderd). | Ze weunt deer wát prut. 2. Fijn van postuur, in de zegswijze prut en driel, zeer fijn en popperig, nuffig (verouderd). – Prut en priebel, zie de vorige zegswijze (verouderd). Misschien mag men het woord vergelijken met Engels proud, trots, Angelsaksisch prut. Zie het N.E.W. onder prat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
prut , prut , bijvoeglijk naamwoord , prut, niet gemakkelijk. Jaoneke was ’nen hèndige mar z’n wèèf die waar nie prut. Janus was erg meegaand maar z’n vrouw was niet voor de poes.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
prut , bröt , het , (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = prut Het is daor aachter het hoes aaltied een bröt (Bal), Wat een viese bröt stun op taofel (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prut , prut , prutte , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook prutte (Zuidwest-Drenthe) = 1. rommel Die prut doe wij naor de rommelmarkt (Hgv), Moej is kieken hoouveul prut der op die zolder lig (Eex), Dat is prut mit de pette (Bco) 2. grote hoeveelheid Wat hew weer een prutte in de wasse een grote was (Die), Ik bleef mit de heile prut zitten (Bov), Een beste prutte waark (Dwi), z. ook protte 3. modder, brij, slijk Ik heb die erpel kookt, mor het is ien prut worden (Sle), Wat een prutte bij huus (Dwi), Wat een vieze prut is dat daor (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prut , protte , de , (Zuidwest-Drenthe, noord) = grote hoeveelheid, z. ook prut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prut , prut , rommel, onsmakelijk iets.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
prut , prut , viezigheid , Zit'ter nie in dieje prut te fruute, wa moet'te dôr nouw nog ûthaole, lôt toch zitte. Zit er niet in die viezigheid te wroeten, wat moet je daar nog uithalen, laat toch zitten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
prut , prut , prutte , zelfstandig naamwoord , de 1. papvormige, vieze rommel, dikke pap, één groot geheel aan modder 2. geslachtsdeel van een vrouw 3. flinke hoeveelheid spullen (veelal: die opgeruimd moeten worden), rommel 4. waardeloze zaken, rotzooi 5. geheel aan kleding, ook: het geheel aan lakens, kleding enz. dat in de was moet, wasgoed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
prut , preut , 1. bezinksel in de koffie; 2. vent, kerel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
prut , prot , koffiedik, koffieprut (Putten).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
prut , pröttel , pruttel , rommel, troep (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
prut , prut , tussenwerpsel , prosit
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
prut , prut , zelfstandig naamwoord, mannelijk , appelmoes
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
prut , prut , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , prutte , prutje , del, slons
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
prut , prut , zelfstandig naamwoord , "gez. ginne prut - niet mis; WBD III.1.1:247 'prut' = slapers (oogvuil; ook: 'siep', 'soep', 'zepel' van 'preuts'(?) = overzedig, gemaakt eerzaam; stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - vrijwel altijd in een bijwoordelijke uitdrukking met ontkenning 'niet'; gezegde: nie prut - niet verlegen uitgevallen, niet mis; Cees Robben – Ze is nie prut.. (19631122); Cees Robben – Mar ikke ôôk nie prut, ik zeej: d’r uit pinegel... (19650402); Cees Robben – [vrouw spreekt:] Ik wil bist weten dek ’n kaoi boor zèè... Mar gij bent ôôk nie prut... (19761008); N. Daamen (handschrift 1916) – ""de die is nie prut (ze is niet wel)"" — ""an d'r kamizool""; De Wijs  – (Gehoord bij ’n familie-oordeel) ze zit vol goeiigèèt mar som is ze nie prut! (23-10-1963); De Wijs – Ik wil bist wete dè’k ’n kaoi boor ben mar zij is ôk nie prut (23-09-1970); Henk van Rijen –  ons taante Jaans waar irst nie prut, mar na vórt wèl; CiT (113) 'Dè wefke is nie prut, hùrre'; WBD III.1.4:134 'nie prut' = stoutmoedig; WBD III.1.4:81 'nie prut' = een lastig karakter hebbend; WBD III.1.2:186 'nie prut' = onwel; 1.4:134 'nie prut' = stoutmoedig; WBD III.1.2:340 'prutlip' = uitslag onder de neus; WNT XII II kolom 4651. A.P. de Bont – prot, bnw. 'prut' (in de verb. 'nie prut zen' niet pluis, niet gemakkelijk zijn); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PRUT - nie(t) prut vallen - niet pluis zijn, niet gemakkelijk vallen, zelfstandig naamwoord koffiedik. Jan Naaijkens - Dè's Biks – prut bn - prut, niet gemakkelijk"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal