elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: puist

puist , puist , (vrouwelijk zonder meervoud) , pik, tegenzin; ergens een puist aan hebben.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
puist , [kleine brug] , poeste , kleine brug om paarden, koeien, enz. over een sloot te leiden of te drijven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
puist , poeste , puist, buil.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
puist , pûste , (vrouwelijk) , puist.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
puist , puste , (vrouwelijk) , Puist. Ik heb mîn ʼn puste in ʼt lîf egèten, ik heb zoo veel gegeten, dat ik er ongemakkelijk van ben.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
puist , puste , (vrouwelijk) , Puist. Ik heb min ʼn puste in ʼt lîf egèten, ik heb zoo veel gegeten, dat ik er ongemakkelijk van ben. Mîn ʼn puste elachen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
puist , půst , mannelijk , püste , püstien , puist, adem. Daor heb ik de půst ån: daar geef ik niet om.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
puist , poes , zelfstandig naamwoord, mannelijk , puuste , puusjen , puist. Doar kù’j oe nen poes van in t lief etn, daar kun je je aan te barsten eten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
puist , poest , m , a/ bult, b/ boomstronk; poest in de grond wortelstronk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
puist , puist , zelfstandig naamwoord de , Ook: massa, grote hoeveelheid. | Hai het nag ’n puist wortele lègge. Zegswijze d’r ’n puist an hewwe, er een hekel aan hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
puist , puis , vrouwelijk , puiste , puist, zie het oudere: bórbel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
puist , poest , mv. puûs, oonderste stuk ván enne boëm.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
puist , poest , 1) boomstronk, de stomp-met-wortels van een af gehakte boom; 2) peelpuist.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
puist , poes , pusie , puist.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
puist , poest , poeste , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe). Ook poes (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), poeste (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. adem Hie hef aordig hard fietst, hie is hielmaol achter de poes(t) buiten adem (Sle), IJ hebt ja niet veul poest, ij kunt nog gien keers oetblaozen (Eex) 2. kortademigheid (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat peerd hef last van poest, daor zit demp in (Eev), Hij haar een ko kocht, mor daor zat een poesien in (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
puist , poest , poeste, poesien, poestien , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook poeste (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), vaak als verkl. poesien, poestien = 1. puist Ik heb een dikke poest in de nak zitten en lest ha’k een negenoog (Vri), Dat kiend zit onder de poesten (Pes) 2. (meestal verkl.) pukkel Men möt nooit een poesie kapot krabben, dan kuj bloodvergiftiging kriegen (Bei), Jonge wichter hebt vaak last van poesties (Bor), z. ook poet
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
puist , poeste , de , poesten , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. bruggetje, waarvan het middengedeelte weg kon worden genomen 2. houten schot van planken, die over een sloot werd gelegd of over de mestgoot bij het kalven Een broggien, waor de koenen aover mussen lopen was een poeste (Ruw), As een koe op de stal möt kalven, wörde de poeste over de gröppe elegd, dan komp het kalf niet in de gröppe (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
puist , poeste , puist. IJ ef em een poeste in ’t lief egeten ‘hij heeft veel te veel gegeten’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
puist , poes , puusien , puist. Ik had ’n poes an de kop as ’n hoenderei. Scheert astoeblief ’n bettien umme dât puusien hen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
puist , poeste , poest , zelfstandig naamwoord , de 1. (vaak verkl.) puist, pukkel 2. losse bodem van een boerenwagen 3. los houten schot als bruggetje over een mestgoot 4. uitstoot van adem, lucht (in één keer)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
puist , puisie , poisie , zelfstandig naamwoord , puisies, poisies , puistje, pukkeltje; papieren puntzakje D’r zit nog een plokkie tebak onder in ‘t puisie Er zit nog een plukje tabak onder in het puntzakje Zie ook peperhuisie; poisie [O] puntzakje De snoepies zatte in een pepiere poisjie Zie ook peperhuisie, puisjie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
puist , pûis , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , pûiste , pûiske , puist , pûis VB: Krets dy pûis neet oëpe, aanders krys te bloodvergiftiging.; mokkel (vero.) VB: Zju, dè haw e zoondig 'n fleenke pûis bié zich.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
puist , pösje , puistje.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
puist , pöst , puist
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
puist , poeste , (zelfstandig naamwoord) , pusien , puist. Die man ef een poeste op de wange zitten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
puist , pûst , 1. puist, 2. moeilijk iemand, kreng van een mens , 1. hij staod’onder de pûste = hij staat vol puisten
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
puist , poist , paost, post , zelfstandig naamwoord , boomstronk (Helmond en Peelland); paost; boom- of heggenstronk; post; boomstronk (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
puist , poêst , zelfstandig naamwoord, mannelijk , poêste/puûst , puûs(t)je , boomstronk, man, zwaargebouwd, puist, wortelstronk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
puist , pöst , pöste , zelfstandig naamwoord , puist; Cees Robben – Onze Peer hee unne pöst in zunne nek zôô grôôt as unne riksdaolder... Unne negen-euger zeker..? (19811023); Cees Robben – Knoeste van pöste.. (19620608); Mar as ge unne stinpöst op oewen dèrriejèère had, èn as bidde nie hielep, dan moeste bij ’t feitvrouwke van Van Hees zèèn. Die mòkte d’r èège zallefkes. Vur pöste, èkseem, fratte, padscheete, èn alles. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); WBD III.4.5:104 pöst - dennenwortel; ook genoemd: pin, stronk of stomp; WBD III.4.3: 55 post - hoofdwortel; ook genoemd: pin(wòrtel), pèn(wòrtel); WBD III.1.2:263 'puist' = gezwel; WBD III.1.2:265 'puist' = ontsteking; WBD III.1.2:345 'puist' = steenpuist
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal