elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pups

pups , blupse , voor: onnoozel meisje; ’n blupse van ’n wicht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pups , pupsj , vrouwelijk , pupsje , oogvuil; strontje; oog in aardappel; pip, vogelziekte. Dooch de pupsje éns oet dien ouge: veeg je ogen eens schoon. Kiek oet dien pupsje: kijk uit je doppen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pups , pupsj , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , snotziekte , (bij pluimvee) pupsj VB: De hoonder hebbe de pupsj, ich been bang dat ze mich kepot goën.; oog pupsj In: loor oét d'n pupsje
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pups , [oogvuil ] , pups , (vrouwelijk) , pupse , pupske , 1. oogvuil 2. oog in aardappel , Pupse inne ouge höbbe: letterlijk, maar ook de realiteit niet onder ogen willen zien.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pups , pups , zelfstandig naamwoord , pupse , pupske , tot korstjes opgedroogde afscheiding aan de oogleden, slaap; vaeg dich de pupse ins oet de auge – wrijf de slaap eens uit je ogen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pups , pups , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pupse , oogvocht, gedroogd, oogvuil
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal