elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rechtvaardig

rechtvaardig , rechtveerdig , (bijvoeglijk naamwoord) , rechtvaardig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rechtvaardig , rechtveerdîg hoar , sluik hoar = hoar dat krōlt as ’n bessemstoal (dat krult als eene bezemsteel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rechtvaardig , rechtveerdig , rechtvaardig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rechtvaardig , rechveardeg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rechtvaardig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rechtvaardig , rėchvaerdich , rėchvaerdigger, rėchvaerdichste , rechtvaardig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rechtvaardig , rechveerdig , rechtvaardig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rechtvaardig , rechtvèerdig , rechtveerdig, rechtvaardig, rechtvaordig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook rechtveerdig (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), rechtvaardig (zoz, Midden-Drenthe), rechtvaordig (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = rechtvaardig Dei man, dat is een rechtveerdige kerel (Bco), Die man is strikt rechtvèerdig, ...rechtvaardig (Sle), Het is rechtvaardig weer je hebt de keuze tussen niets doen en kou lijden, of werken (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rechtvaardig , rechveerdig , 1. rechtvaardig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: stijf; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: houterig. Een rechveerdig regentien ‘een zacht buitje, een bui waarvan de druppels recht naar beneden vallen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rechtvaardig , rechveerdeg , rechtvaardig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rechtvaardig , rechtveerdig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rechtvaardig: volgens het recht, volgens wat billijk, redelijk is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rechtvaardig , rechtvaerdig , rechvaerdig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , rechtvaardig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rechtvaardig , rechtveerdig , rechtveerdig haor naar voren gekamd haar (W.-Veluwe); rechtveerdig lopen, rechtop lopen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rechtvaardig , rechtvieërdig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rechtvaardig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rechtvaardig , rèchtvèèrdeg , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , rechtvaardig; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'rechtvèèrdig'; Henk van Rijen - 'rèèchtvèèrdeg'; CiT (98) 'Onrechvèrighei komt te bute'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RECHTVÈÈRDIG bvw. - rechtvaardig; Rechtvèèrdig haar - sluik haar.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal