elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reef

reef , rift , een in plooien gevouwen doek, die vroeger de pas geboren kinderen over hoofd, armen en schouders werd gedaan en om het middellijf vastgespeld, ten einde stevigheid aan het lichaam te geven. – Zal één zijn met: rif = strook, gedeelte van een zeil dat bij te sterken wind moet worden ingenomen. Zie ten Doornk. art. ref.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
reef , reef , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. de samenst. reefband, reefgaatje, reeftouwtje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Reef , Reef , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Naam van een paar wateren onder Westzaan en Oostzaan. De Reef bij Westzaan ligt tussen de weg en de Nauwernase vaart, die onder Oostzaan nabij de Heul. Ook stukken land aan de Reef zijn daarnaar genoemd. || Jacob Claes Jan Baerts reefacker; Griete Gerrits noorder (suyder) reefackertgen; Claes Huyberden reefkamp; Claes Jantgens suyder (noorder) binnen reefcamp (buiten reefcamp), Maatb. Assend. (a° 1634). Die reefkamp, Polderl. Westz. III, ƒ° 58 v° (a° 1644). Noch dat reefstuck, ald., ƒ° 53 r° (a° 1644). Vgl. voorts binnenreef, buitenreef, overreefje. – Ook een stuk land in het Oostzijderveld aan de Weer heet de Reven. – Zie verder op rif.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
reef , reef , (zelfstandig naamwoord) , Zekere plant. Waarschijnlijk raapzaad, koolzaad, en dus hetzelfde als reuf; zie aldaar. Thans onbekend. || Om hetzelve tweemaal in dit jaar te mogen hooyen en alle ruigten, mostaardzaad, revenplanten, heestergewassen en kruiden, mede af te maayen, Hs. aangaande de grasverpachting v. d. zeedijk (a° 1832), archief v. Assendelft. – Het woord was eertijds ook elders in N.-Holl. gebruikelijk; het Handvest van Anthonis, heer van Hoogwoude, betreffende de tiende van klein rond zaad, “als mostaart, henp ende reven” in Wfri. Stadr. 1, 90 (a° 1490). – Wel kent men tegenwoordig hogerop in N.-Holl. reef in de zin van het stro of de vezels die overblijven na het dorsen van mosterd, tarwe, enz. Men spreekt dan van tarwereven, mosterdreven. – In Belgisch Limb. en in het Hageland zijn reven de draden of ranken aan erwten en bonen, die men er aftrekt, eer ze gekookt worden (zie SCHUERMANS en RUTTEN op reef). Dit laatste is hetz. woord als Hgd. rebe, wijngaardrank, Mnd., Ndd. rave, rank.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
reef , reef , reuf , zelfstandig naamwoord de , Bundel gedorst stro.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
reef , reve , rift , reef in een zeil
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
reef , refien , zelfstandig naamwoord , et; roostertje in een petroleumkooktoestel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
reef , reef , zelfstandig naamwoord, onzijdig , heggewikke
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal