elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: riethen

riethen , riethen , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zekere watervogel. Waterhoen, riethoen. Lat. Gallinula chloropus (SCHLEGEL, De Vogels 187).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
riethen , riethen , zelfstandig naamwoord de , Waterhoentje (soms ook meerkoet). Vgl. Fries reidhin.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
riethen , reithennegien , zelfstandig naamwoord , et; waterhoentje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
riethen , reethin , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , reethinne , reethinke , waterhoen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeƫ Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal