elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanmaaien

aanmaaien , á maeje , mitte zig en begeen make ánt maeje.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
aanmaaien , anmèeien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. een begin maken met het maaien Aw nou even die kamp anmaaien, dan kuw morgen begunnen te bindern (Klv), Wij zullen de houken even anmaaien (Een) 2. opschieten met het maaien IJ moet een beetien anmèeien, aans kriew het er vandage niet of (Oos) 3. afmaaien (Midden-Drenthe) Dat hooukie hef het mesien staon laoten, die moew met de zwao anmeien en dan gaow hen hoes (Eex) 4. bijhouden met maaien (Kop van Drenthe) Hij kun hom lang niet anmaaien (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanmaaien , anmi’jen , werkwoord , 1. een begin maken met het maaien: van grasland, een akker rogge enz. 2. iemand inhalen of bijhouden met het maaien 3. druk maaien, opschieten met het maaien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanmaaien , aanmejje , werkwoord , mejtj aân, mejdje aân, aangemejdj , een strook koren met de hand maaien om plaats te maken voor de maaimachine zie ook aanwerk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal