elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baaien

baaien , baje , baeje , en wónd schon en wiëk make in heit sodawater.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
baaien , baoien , bijvoeglijk naamwoord , van baai Ons opa het altied nog een baoien hemd (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baaien , baoien , van baai gemaakt. Een baoien emp ‘een baaien hemd’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
baaien , baojde’ner , strompelde er , Dieje mèns die baojde'ner mér wa hènne, wa is'sie toch sléécht óp de biin. Die man die strompelde er maar wat heen, wat is hij toch slecht ter been.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
baaien , baoien , baaien , bijvoeglijk naamwoord , baaien, van de kledingstof baai
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baaien , bieje , werkwoord , biejde, gebiejd , betten , (mnl. beyen: een wonde betten) VB: 'nne Zjwèretigge vinger ién sodawäoter bieje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
baaien , baaie , werkwoord , met grote passen lopen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
baaien , baaje , baoje , bijvoeglijk naamwoord , Henk van Rijen: en baaje broek - te wijde broek (wegens overeenkomst met een broek van de stof baai?); WBD III.1.3:101 'baaien rok', 'baaien onderrok' = dikke baaien onderrok; Cees Robben – D’n baaijen rok (19570706); zie baoje; baoj; baaien, van baai; Lòt ons dan nie lang prakkezeere/ dès gemak as gesneeje koek/ we geeven em dan van ons tweeje/ en nuuwe baoie onderbroek. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van allebaaj wè); Pierre van Beek: enen baoje ròk (van een dik grof wollen weefsel, dat vroeger in Tilburg veel vervaardigd werd in verschillende kleuren, en o.a. door vrouwen werd gebruikt voor rokken) (Tilburgse Taaklplastiek 175); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij heej daor nen baoje ròk binnegegoojd (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als een fabrikant een niet onverwacht bezoek aan een arbeidersvrouw aflegde
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal