elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bikaars

bikaars , [doorgereden achterste] , bikeers , (mannelijk) , doorgereden aars.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bikaars , [soort kwaal] , bikeerze , Een pijnlijke geschiedenis aan de billen, die soms ontstaat door veel loopen in de warmte.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bikaars , bikeers , mannelijk , schrijnende, gezwollen bilnaad
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bikaars , bikears , zelfstandig naamwoord , kapotgelopen aars
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bikaars , bik-èrs , v , schrale kont (van het fietsen.) [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bikaars , bigaers , bigaars , enne boor di wát lang achter de ploog geloëpe háj schoorde zich wál is de batse door. En middeltje heertaege waas en búske graas inne taes.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bikaars , bik-eerse , pik-eerse , (Gunninks woordenlijst van 1908) doorgereden aars. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pik-eerse
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal