elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bobbel

bobbel , bobbel , bobel , (bòbbəl) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een soort van waterbies, Scirpus Lacustris L. Vgl. Ned. Wdb. III, 5. || Wijders genoemde sloten ... ter degen op te klaren en te zuiveren van kroos, rieden, bobbelen en uitgewassen. Proclamatie heiningschouw (Krommenie a° 1893). Mede (sal) niemant ... met de zegen, kuylen ... (etc.) op enige wassende hooylanden, rietackers, nieuw aengeplante bobel- ofte riedlanden ofte rieddergen mogen gaen trecken, Hs. keur op de visserij (a° 1738), archief van Wormer. – Het woord komt ook voor in de naam van verschillende stukken land. || Die bobelcamp, Stoelb. Assend. f° 35 v° (einde 16de e.). Bobelkamp, Polderl. Wormer, f° 17 (a° 1776). Bobelke mat, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 296. Dat boebbelveentgen, Polderl. Assend 1 f° 280 r° (a° 1600); bobbelveentgen, ald. f° 281 r°. Die bobelven, Polderl. Westz. III f° 60 v° (a° 1644).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bobbel , brobbel , mannelijk , blaasje. Het reagent brobbels: het regent blaasjes
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bobbel , boebel , m , buts, bobbel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bobbel , bobbel , zelfstandig naamwoord de , Matten- of waterbies (Latijnse naam: scirpus lacustris). Mogelijk vormt dit woord het eerste lid van de plaatsnaam Bobeldijk, wfri, uitspraak Bobbeldoik.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bobbel , bóbbel , mannelijk , bóbbele , bubbelke , zakflacon voor sterke drank.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bobbel , broebbel , kleine, ronde, meestal holle verhevenheid op een oppervlak.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bobbel , broebel , hárde óneffenheid óp en glad vlak. Enne rówwen broebel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
bobbel , bobbel , de , bobbels , bobbel Het was door allemaol hobbels en bobbels hobbelig (Bov), Wat een bobbels op het ies (Dwi), Bobbels an de gewrichten (Rui), Die varve is te gauw opdreugd, der is een bobbel opkommen (Bei), Het regende zo hard dat de bobbels op het water stunden (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bobbel , brobbel , de , brobbels , 1. brobbel, bobbel, bel Met dikke onweersbuien komt er brobbels op het waoter (Dro), Brobbeltje blaozen (Erf), As het brobbels regent, regent het de hiele dag (Sle) 2. iem. die onduidelijk spreekt (Zuidwest-Drenthe, zuid) Iene, die zo brouwelt, nume wij een brobbel (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bobbel , bobbel , bobbel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bobbel , bróbbeltjes , luchtbelletjes , És't rèègent én ge zie van die bróbbeltjes óp 't wôtter, dan is't kèrmus in de hèl. Als het regent en je ziet van die luchtbelletjes op het water, dan is 't kermis in de hel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bobbel , bobbel , zelfstandig naamwoord , de 1. bobbel (op een oppervlak) 2. (mv.) bulten in een oppervlak waarover men rijdt 3. puist, pukkel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bobbel , bobbel , zelfstandig naamwoord , bobbels , bobbeltie , bult
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bobbel , bôbbel , zelfstandig naamwoord mannelijk , bôbbele , bôbbelsje , bobbel , VB: Ze haw 'nne gaanse bôbbel op hëure kop oe ze zich gesjtoete haw. Zw: E bôbbelsje: gebogen zakflacon met sterke drank.; hobbel blötsje VB: Pas op, blötsj die appele neet, ze môtte nao de vyling
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bobbel , brobbel , zelfstandig naamwoord , luchtbel (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bobbel , boebel , (mannelijk) , boebele , boebelke , bobbel, bult
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bobbel , bróbbel , (mannelijk) , bróbbele , brubbelke , bultje , Ich zit ónger de hitsbróbbele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bobbel , broebels , zelfstandig naamwoord, meervoud , en ik blaos er de broebels in ’t waoter... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘De paoter en de kinkenduut’, 1941); Van Rijen (1998): luchtbellen; WBD III.4.4:213 'broebel' = luchtbel, ook 'brobbel', 'bobbel', 'bel'; WBD III.4.4t:231 'brobbel' = bobbel, ook: 'bult'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bobbel , boebel , boebels , bubelke , bobbel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
bobbel , broebel , broebels , brubelke , pukkel (bult)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal